De 10-cd-box Classic V-Disc Big Band Jazz Sessions biedt een scheepslading verrassende hoogtepunten uit de jazzhistorie van de jaren veertig
Het Swingtijdperk, toen half Amerika en een flink deel van de rest van de wereld danste op de muziek van Benny Goodman en zijn collega-bandleiders, begon halverwege de jaren dertig en liep door tot in WO2. Na 1945 veranderde alles. De teruggekeerde militairen wilden vooral een gezin opbouwen en hadden weinig animo meer om uit dansen te gaan. Bovendien kwam de tv op als huisamusement. De hitparade werd gedomineerd door zoete vocalisten (ook Frank Sinatra in zijn beginjaren) en in de zwarte gemeenschap kwam de rhythm & blues van artiesten zoals Louis Jordan op.
Tekst: Bert Vuijsje | Foto’s: William P. Gottlieb/Ira and Leonore S. Gershwin Fund Collection, Music Division, Library of Congress
Het einde van de grote orkesten
Bijna alle big band-leiders moesten hun orkest voor kortere of langere tijd opheffen, zelfs Woody Herman, Count Basie en Stan Kenton. Alleen Duke Ellington hield zijn band tegen de klippen op in stand, maar hij moest zijn muzikantenbudget wel financieren uit de royalties van zijn composities. De glorietijd van de grote jazzorkesten zou nooit meer terugkeren. Vanaf de jaren vijftig weerklonk in nostalgische kringen vaak de vergeefse slogan ‘Will big bands ever come back?’
De vergeten jaren door de Petrillo-boycot
De laatste fase van die glorietijd is op platen slecht gedocumenteerd. Van augustus 1942 tot november 1944 hield James Petrillo, de voorzitter van de American Federation of Musicians, de grote platenmaatschappijen in de greep van een boycot om financiële steun voor een muzikantenfonds af te dwingen. Dat was des te wranger omdat juist in die periode de moderne jazz, de bebop, werd geboren binnen bands als die van Earl Hines, Billy Eckstine en Woody Herman.
V-disc: muziek voor de troepen
Er was maar één label dat in die jaren volop jazz opnam: V-Disc. Dit label maakte platen om de Amerikaanse troepen in oorlogstijd te entertainen. Een patriottische doelstelling die Petrillo niet kon negeren. V-Disc betaalde de muzikanten geen cent, maar toch werkten verreweg de meesten van hen graag mee. Ook al omdat ze hun muziek op dat moment anders niet konden vastleggen. De V-Discs mochten niet in de handel worden gebracht, maar belandden uiteindelijk natuurlijk wel bij verzamelaars, die ze zorgvuldig bewaarden.
Langere opnamen en unieke versies
Het Amerikaanse label Mosaic Records bracht eerder al een 11-cd-box met combo-opnamen voor V-Disc uit (zie Jazzism van augustus 2025). Daar wordt nu de 10-cd-box Classic V-Disc Big Band Jazz Sessions aan toegevoegd, en die is nog opzienbarender. V-Disc produceerde zijn platen niet op het toenmalige 78-toeren standaardformaat van maximaal drieënhalve minuut, maar op schijven van dertig centimeter die bijna zes minuten muziek konden bevatten. Daardoor zijn vele eerdere of latere drie-minuten-versies van klassieke big band-nummers hier te horen in veel langere vorm, soms zelfs in live-vertolkingen.
Hoogtepunten: van Gillespie tot Herman
Deze scheepslading van 247 tracks is natuurlijk veel te uitgebreid om hier in detail te bespreken, maar enkele hoogtepunten springen eruit. Opmerkelijk zijn de stukken waarvan de V-Discs de allereerste plaatversie vormen. Vaak ook nog uitvoeriger dan de latere reguliere opnamen. Het mooiste voorbeeld is A Night In Tunisia, dat Dizzy Gillespie in eerste instantie componeerde voor de bigband van Boyd Raeburn. Volgens de totaal jazzdiscografie van Tom Lord werd deze superstandard tot 2017 maar liefst 939 keer op de plaat gezet. Maar hier klinkt de oerversie uit mei 1944. Gillespie speelt zelf niet mee; de Dizzy-achtige trompetsolo komt van de verder onbekend gebleven Tommy Allison.
Drie klassieke Woody Herman-titels beleefden ook hun première op V-Disc: Red Top, Apple Honey en Your Father’s Moustache in september 1944 en augustus 1945. Deze dankzij drummer Dave Toughs voortvarend swingende opnamen zijn extra interessant door de aanwezigheid van onder anderen tenorist Flip Phillips, trombonist Bill Harris en de trompet spelende broers Pete en Conte Candoli. Bijzonder is ook de rol van de fijnzinnige trompettist Sonny Berman, die maar weinig plaatopnamen heeft nagelaten. Hij speelde van februari 1945 tot eind 1946 in de band en stierf in januari 1947 aan een overdosis heroïne, nog maar 21 jaar oud.
Chubby Jackson en Neal Hefti
Halverwege de sessie van augustus 1945 droeg Woody Herman zijn orkest tijdelijk over aan bassist Chubby Jackson. Hij viel als bandleider altijd op door zijn luidruchtige aanmoedigingen. Hij nam twee instrumentale stukken op. Het eerste heette oorspronkelijk Meshuga, en kreeg later de minder Jiddische titel They Went That-Away. Het zou uiteindelijk pas in juni 1950 onder de titel Sonny Speaks door de Woody Herman-band voor het label Capitol worden opgenomen.
Het tweede stuk van Chubby Jackson is in feite een korte jamsessie van 5:53 minuten onder de titel Secunda. Sonny Berman soleert hier (als eerste) om en om met de krachtig spelende Neal Hefti. De laatste begon als trompettist, maar werd later een toonaangevende arrangeur en hofleverancier van de Count Basie-band uit de jaren vijftig.
Basie, Young en Hampton
Duke Ellington stelde wel bestaande plaatopnamen beschikbaar voor V-Disc, maar nam geen muziek rechtstreeks voor het label op. Count Basie is wel vertegenwoordigd met 24 tracks. Zeven daarvan werden in mei 1944 opgenomen in Liederkranz Hall in New York en bieden een verrassend goede geluidskwaliteit. Ze zijn daarnaast vooral de moeite waard door de soli van tenorist Lester Young, die vanaf december 1943 kortstondig in de Basie-band was teruggekeerd. In september 1944 moest hij het leger in, wat hem het grootste trauma van zijn leven opleverde.
Het grootste spektakel komt van vibrafonist Lionel Hampton. In mei 1942 had hij voor het Decca-label zijn eeuwigdurende hit Flying Home opgenomen met de onsterfelijke solo van tenorist Illinois Jacquet. In maart 1944 kondigt Hampton een nieuwe versie als volgt aan: ‘The label on this V-Disc says “Flying Home”, and we all hope you’ll be flying home soon.’ Wat volgt is een tweedelige vertolking, respectievelijk 4:46 en 4:28 minuten lang. Behalve Hampton soleren achtereenvolgens de harde tenorist Arnett Cobb, pianist Milt Buckner, tweede tenorist Al Sears en hoge-noten-trompettist Cat Anderson. Tegen het slot van deel twee krijgt Cobb de taak om de klassieke solo van Jacquet noot voor noot na te spelen. Daarna voert Hampton zelf dit nieuwe Flying Home naar zijn logische climax.


