Soms lijkt het of Grant Green (1935-1979) een gitaarloopje niet wil loslaten, of is het andersom? Zijn het pogingen vast te houden en niet voorbij te laten gaan wat vluchtig is? Om als het dadelijk stopt nooit meer terug te halen?
Tekst: Mischa Andriessen | Foto’s: Francis Wolff © Mosaic Records
Als in trance herhaalt Green steeds dezelfde noten in dezelfde volgorde en hetzelfde ritme, zo vaak en zo lang dat de luisteraar soms opstaat om na te gaan of er geen kras op de plaat zit. Het zijn opvallende, telkens terugkerende momenten in Greens muziek, mogelijk de mooiste momenten in zijn muziek. Want zulke momenten belichamen de essentie van jazz, maar vooral omdat zij Green laten zien als degene die hij waarschijnlijk was: een pure liefhebber van muziek.
Jukebox
Alle goede en minder goede betekenissen die aan het begrip liefhebber verbonden zijn, gaan ook voor Green op. Van een musicus worden keuzes en onderscheidingsvermogen verwacht. Green leek alles mooi te vinden: in elke melodie, hoe simpel of zoetsappig ook, wel een aanknopingspunt te vinden voor een solo. In de biografie Grant Green: Rediscovering The Forgotten Genius Of Jazz Guitar beschrijft Sharony Andrews Green (ex-schoondochter) een typerend tafereel. Green staat op het punt te gaan optreden, maar een van de bezoekers heeft net een aanzienlijk bedrag in de jukebox gestopt. Green en zijn band moeten wachten tot de jukebox alle platen heeft afgespeeld. Menigeen zou zich hebben geërgerd. Green niet, hij kent elk nummer dat voorbijkomt en speelt mee.
Green maakte juist geen onderscheid. Hij speelde alle soorten muziek en koos niet zelden voor hitjes, voor muziek die al op weg naar de uitgang van het geheugen was, klaar om te worden vergeten. Niet voor niets heet een van zijn beste platen Idle Moments. Als visie gepaard gaat met afbakenen en kiezen, dan had Green geen visie. Precies dat zorgde ervoor dat hij door critici vaak niet voor vol werd aangezien en sowieso dikwijls in de schaduw gesteld van collega’s als Wes Montgomery en Kenny Burrell. Maar hoe goed die beide gitaristen ook zijn, de veronachtzaming van Green was niet terecht.
Leiderschap
Green koos dus niet. Wie zijn output bekijkt, ziet daarin doorgaans niet echt een lijn. Op bijna elke plaat speelt een andere bezetting. Vanaf 1960, toen hij door saxofonist Lou Donaldson succesvol onder de aandacht was gebracht van platenbaas Alfred Lion, speelde Green op talloze Blue Note-platen. Als leider en als sideman. Opvallend genoeg meestal met evenveel inzet op de platen waar een andere musicus de leiding had. Exact dat was de reden dat hij zo vaak werd gevraagd, maar die kracht kan ook als een zwakte worden uitgelegd. Green gaf anderen de ruimte en drong zijn ideeën niet op. Sympathiek, maar niet bepaald een uiting van leiderschap. Op een paar van zijn vroegste platen valt te horen hoe hij overvleugeld of zelfs overruled wordt. Je kunt drummer Art Blakey aanwijzingen horen schreeuwen. Op First Session, de plaat die zijn Blue Note-debuut had moeten zijn, maar jaren op de plank bleef liggen, is duidelijk hoorbaar hoe drummer Philly Joe Jones en pianist Wynton Kelly de lijnen uitzetten en proberen hun nog onervaren bandleider voor een blamage te behoeden.
Ongelukkige timing
Ook al kon hij daar weinig aan doen, Greens timing was ongelukkig. Hij kwam op in een tijd waarin het maken van duidelijke keuzes juist werd gevraagd. Greens meest vruchtbare periode waren de jaren 60, een decennium waarin de jazz bijkans ontplofte wanneer je naar het aantal vernieuwende stromingen en hun conservatievere maar in zekere zin ook innovatieve tegenhangers kijkt. In die wervelwind is het begrijpelijk dat Greens bijdrage destijds niet zo opvallend werd bevonden.
Voor veel van de sidemen waarmee hij liefst werkte, geldt hetzelfde: pianist Sonny Clark, organisten als Baby Face Willette en Big John Patton, drummers als Al Harewood en Bill Dixon, zonder meer geïnspireerde vaklui, maar geen revolutionairen. Nu en dan speelde Green wel degelijk met baanbrekende musici als drummer Elvin Jones, vibrafonist Bobby Hutcherson en organist Larry Young, maar de muziek die hij met hen opnam – zoals het verstilde Street Of Dreams – is prachtig, maar geen avant-garde. Als gitarist borduurde Green bovendien verder op de stijl die Charlie Christian ontwikkeld had en traditionele genres als gospel en blues bleven belangrijke bronnen in zijn spel. Hij verfijnde, hij vernieuwde niet, althans zo leek het in vergelijking met Wes Montgomery.
Daarnaast kwam Green bij Blue Note toen het label het moeilijk had. Het raakte kassuccessen als organist Jimmy Smith kwijt en zat dringend verlegen om nieuwe hits. Dat resulteerde in een opmerkelijk beleid waarbij van artiesten veel meer werd opgenomen dan op dat ogenblik kon worden uitgebracht. Talloze geweldige platen, ook van Green, kwamen daardoor pas jaren later van de plank. En er werd te nadrukkelijk op een klapper gejaagd. In plaats van op de creativiteit van de musici te vertrouwen, werden ze soms gepusht in andermans trant te spelen, waardoor de muziek juist als mosterd na de maaltijd kwam.
Het breekjaar
Met Green zelf ging het in die jaren bepaald ook niet florissant. Als zovele musici destijds was de gitarist zwaar verslaafd. Vermoedelijk was hij dat al toen hij in 1960 vanuit St. Louis naar New York kwam. In 1979 stierf hij aan een hartaanval in zijn groene Cadillac. Hij was pas 43, maar gezien zijn levensstijl was dat nog tamelijk oud.
Misschien is het projectie, maar het lijkt er dikwijls sterk op dat de relaxte roes van een heroïneshot doorklinkt in Greens muziek. De wereld die hij met zijn spel oproept, is vrij van pijn en ongemak. Als hij steeds hetzelfde loopje blijft herhalen, lijkt het alsof hij wegdoezelt en zich net op tijd weer herinnert dat hij een plaat aan het opnemen is. Dat nodding out is een berucht bijeffect van smack.
In 1968 trof Green het vrijwel onvermijdelijke lot van een junk. Hij liep in de val en kreeg een gevangenisstraf wegens drugsbezit. Aanvankelijk een korte, maar die werd in een veel langere omgezet toen Green de voorwaarden van de reclassering schond. Na jaren van tomeloze activiteit werd 1968 een opvallend weinig productief jaar. Green maakte slechts één plaat.
Toch bleek 1968 voor zijn loopbaan cruciaal. Dat jaar overleed Wes Montgomery, waarmee Green van het eeuwig vergelijken was verlost. Toen Green vrijkwam, besloot hij New York te verlaten en naar Detroit te gaan. Daar hoopte hij los te komen van zijn funeste gewoontes. Dat lukte niet en toch leidde zijn verhuizing een keerpunt in. Green begon in een andere stijl te spelen, meer op de groove gericht en flink gevoed door soul en funk. Minder jazzy, in de eerste plaats dansmuziek. Daarmee oogstte hij op dat moment alleen maar meer kritiek.
Van Mozart tot Madonna
Zoals het journaille hem ook kwalijk nam dat hij zo opzichtig naar succes hengelde door nummers van The Beatles of James Brown te spelen. Green speelde zelfs een compositie van Mozart die in zijn vertolking verwerd tot een naar staaltje easy listening. Maar juist die vamps met hun groovende herhaling brachten Green postuum succes toen zijn muziek later werd opgepikt. Eerst door de grondleggers van de zogeheten acidjazz, later door hiphoppers. Met name Sookie Sookie en Down On The Ground werden meermaals gesampled en zelfs door Madonna gebruikt.
Dat succes indachtig werden ook Greens oudere Blue Note-platen uitgebracht en werd duidelijk dat Green altijd al groovede en altijd al pophits en andere hippe stukken had gespeeld. Green was misschien een jukebox waarin je maar een kwartje hoefde te gooien, maar je zou willen dat je zo’n jukebox had.
Dit is een bewerking voor online van het artikel Grant Green – Een pure muziekliefhebber dat in Jazzism 3-2019 verscheen


