De ongrijpbare persoonlijkheid achter een revolutionair oeuvre
Miles Davis (1926-1991) was een man van tegenstellingen. De man die op eierschalen liep, maar was ook de ‘Prince of Darkness.’ De genereuze, de innemende, de charmeur, maar ook de bokser, de rokkenjager die meer van Italiaanse sportwagens hield dan van zijn vrouwen. De verslaafde, de man met de losse handjes en de man met het masker. Zijn veelzijdigheid maakte hem tot een van de meest fascinerende en ongrijpbare figuren uit de muziekgeschiedenis. Zijn oudste zoon Gregory Davis schreef niet voor niets mémoires waarvan de ondertitel luidt: Het Jeckyll en Hyde-leven van Miles Davis.
Dat minder fraaie karaktertrekken soms worden afgezwakt, is begrijpelijk. Iemand die verantwoordelijk is voor zoveel indrukwekkende en ontroerende muziek kan, zo lijkt het, geen slecht mens zijn. Schrijver en pianist Ted Gioia verwoordde het treffend: zijn muziek verraadt een kwetsbaarheid en tederheid die moeilijk te rijmen zijn met de verhalen over zijn harde kant. Misschien was die hardheid juist een beschermlaag.
Klungelen als een beginner
Miles laat zich niet in de mal van een doorgrondbare persoonlijkheid dwingen. Hij was een man van humeuren en temperamenten, die kampte met heftige stemmingswisselingen, verergerd door drugsgebruik. Wat privé rampzalig was, bleek in zijn muziek een zegen. Een lastig te kloppen vijand in muziek is voorspelbaarheid, en Miles rekende daar consequent mee af. Hij kon met slechts enkele noten diep raken. Maar hij kon ook klungelen als een beginner, en toch overtuigen dat hi de volle controle over zijn trompet had. Luister bijvoorbeeld naar When I Fall In Love op Live At The Plugged Nickel. Hij lijkt in zijn solo te verdwalen, en speelt vervolgens een geestig commentaar op zijn eerdere onvolkomenheid. En geeft zo het nummer een unieke persoonlijkheid en intimiteit.
Conceptuele denker
Miles was niet alleen ongrijpbaar in hoe hij speelde, maar ook in wat hij speelde. Lyrisch en kwetsbaar, hard en zelfs agressief, filmisch en ook abstract. Zo’n omslag kon zich zelfs binnen een enkel nummer voordoen. Die onvoorspelbaarheid komt niet alleen voort uit zijn stemmingswisselingen, maar ook uit zijn vermogen om twee denkwijzen bij elkaar te brengen die op het eerste gezicht moeilijk verenigbaar lijken. Hij denkt sterk conceptueel, maar gunt de musici tegelijk zo veel mogelijk vrijheid. Dat conceptueel denken begint vroeg. In elk geval bij Birth Of The Cool (1949). Maar zelfs in zijn tijd als sideman bij altist Charlie Parker laat de dan pas negentienjarige Miles al horen dat hij begrijpt dat jazz meer omvat dan de spontane inval.
Een compromisloze bandleider
Miles schuwde competitie niet en wist zich altijd te positioneren. In de eerste plaats door zichzelf te onderscheiden met een speelstijl die duidelijk afwijkt van wat gangbaar is. Daarnaast zet hij zijn medemuzikanten aan zo vrij en origineel mogelijk te spelen. Zijn methoden waren onconventioneel en soms meedogenloos. Berucht is het voorval tijdens de opnamen van Someday My Prince Will Come. Miles verbijsterde saxofonist Hank Mobley door onaangekondigd collega tenorist John Coltrane de studio binnen te laten, die vervolgens een verbluffende solo speelde. Het werkte voor Mobley eerder verlammend dan stimulerend. Miles was een bandleider die weinig sprak. Bandleden moesten zijn bedoelingen raden of liever nog zelf bedenken. In 1969 zei hij tegen gitarist John McLaughlin: ‘Speel alsof je niet weet hoe je gitaar moet spelen.’ Raadselachtig, maar effectief.
Vrijheid binnen kaders
Als bandleider bevatten Miles’ instructies een aantal duidelijke boodschappen: voor jou tien anderen, wees uniek, baan je eigen weg. Niet alleen geweldige levenslessen, maar ook zeer effectief. Veel van de superbe musici bereikten onder zijn leiding hun hoogste niveau. Sommigen bleken zonder hem zelfs zo goed als verloren. Een prachtige contradictie dat de man die weinig zei een onovertroffen bandleider was.
Concept en controle
Miles’ carrière wordt gekenmerkt door sterke conceptuele albums: Kind Of Blue, In A Silent Way, Bitches Brew. Het zijn platen waarin ideeen vooraf richting geven aan het creatieve proces. Bij Bitches Brew (1969) ging hij nog verder. De muziek werd na de opnames gemonteerd en opnieuw gevormd, samen met producer Teo Macero. Daarmee verlegde hij de grens van wat jazz kon zijn.
Deze werkwijze leverde hem kritiek op. Hij zou de ziel van jazz hebben verkocht, werd gezegd. Te veel richting rock, te weinig ‘zuiver’. Maar juist daarin lag zijn kracht: het doorbreken van conventies. Hoewel hij zich soms afzette tegen freejazz muzikanten als Ornette Coleman en Don Cherry, begreep hij hun zoektocht en verwerkte vergelijkbare denkbeelden in zijn eigen muziek.
Vormbesef, maar toch vrij
Miles was een kind van zijn tijd. Hij liet zich niet inperken en keek ver voorbij de grenzen van jazz, Hij werd beïnvloed door Karl-Heinz Stockhausen, Bela Bartok en Igor Stravinsky. Maar ook door Jimi Hendrix, Sly Stone, James Brown en later andere stijlen als hiphop. Uiteindelijk leidde dat tot muziek met een duidelijk vormbesef, en tegelijk toch vrij was.
Zo bezien is en blijft Miles Davis een fenomeen en een unieke persoonlijkheid die zich niet laat vangen in simpele definities. Zijn invloed is groot en zijn visie op jazz als voortdurende mentaliteit werkt nog altijd door. Destijds kreeg iedere jazzmusicus een bijnaam. Maar Miles bleef Miles.
Tekst: Mischa Andriessen | Openingsbeeld: Miles Davis – Fotocredit: Wikimedia-Commons
Dit is een bewerking voor online van het artikel Miles Bleef Miles dat in Jazzism 5-2016 verscheen.
Lees ook:
Miles Davis’ laatste tour met John Coltrane in 1960
‘Ascenseur Pour l’Échafaud’: De toevalstreffer van Miles Davis
Miles Davis, Gil Evans en de oorsprong van moderne jazzklassiekers


