Het Carnegie Hall Concert van 16 januari 1938 was niet alleen een doorbraak van de jazz in Amerika’s meest prestigieuze klassieke concertzaal, het was ook een licht beschaamd eerbetoon van Benny Goodman aan zijn grote zwarte voorbeelden.
TEKST: BERT VUIJSJE | FOTO’S: William P. Gottlieb/Ira and Leonore S. Gershwin Fund Collection, Music Division, Library of Congress
Klarinettist/bandleider Benny Goodman, die 40 jaar geleden overleed, was in de jaren 30 een idool van Beatles-achtige proporties. Amerika danste massaal op zijn muziek en het geld stroomde binnen. The King of Swing, zoals hij werd genoemd, had tegen 1939 een jaarinkomen van meer dan een kwart miljoen dollar, destijds een serieus fortuin. De zwarte musici en bands die zijn grote voorbeelden en inspiratiebronnen waren geweest, moesten het met een fractie daarvan stellen, en van dat onrecht was Goodman zich terdege bewust.
In de loop van 1937 werd hij door een van zijn promotiemensen op een stoutmoedig idee gebracht: een concert waar niet gedanst maar alleen geluisterd zou worden, om de muzikale betekenis van zijn band te markeren. De stunt zou des te geslaagder zijn als dat concert werd gegeven op het meest prestigieuze klassieke podium van Amerika: Carnegie Hall in New York. Aldus geschiedde op 16 januari 1938, voor een uitverkochte zaal. Twaalf jaar later werden de opnamen door Columbia in Amerika en Philips in Nederland uitgebracht op een dubbel-lp.
Eerbetoon aan zwarte voorgangers
Wie er nu met open oren naar luistert, hoort een tweevoudige boodschap. Het concert moest bewijzen dat Goodmans muziek (mede) thuishoorde in de concertzaal, maar tegelijkertijd moest het een eerbetoon vormen aan zijn zwarte voorgangers. En dat laatste blijkt te gelden voor bijna elk programmaonderdeel. Het begint al met het openingsstuk: niet Goodmans gebruikelijke tune Let’s Dance (ook minder toepasselijk in Carnegie Hall), maar Don’t Be That Way, oorspronkelijk geschreven voor de band van de zwarte drummer Chick Webb, het grote idool van Goodmans drummer Gene Krupa. Meteen daarna hommages aan twee andere zwarte big band-leiders: Sometimes I’m Happy (gearrangeerd door Fletcher Henderson, die veel scores aan Goodman leverde), en One O’Clock Jump (de hit van Count Basie, die in de coulissen meeluisterde).
Goodman vond het in 1938 al tijd om terug te blikken op twintig jaar jazzgeschiedenis, met vier korte impressies van onder anderen kornettist Bix Beiderbecke (I’m Coming Virginia) en natuurlijk Louis Armstrong (Shine, nagespeeld door Goodmans spektakeltrompettist Harry James). Duke Ellington mocht uiteraard ook niet ontbreken. Voor diens Blue Reverie had Goodman drie prominente Ellingtonians als gastsolist geëngageerd: Johnny Hodges, Harry Carney en Cootie Williams.
De combinatie van zwarte en witte musici op één podium ging nog verder in de ruim 16 minuten lange jam-sessie op het Fats Waller-thema Honeysuckle Rose. Count Basie zat nu achter de piano, samen met zijn bandleden Lester Young, Buck Clayton, gitarist Freddie Green en bassist Walter Page. Ook Johnny Hodges en Harry Carney deden weer mee, en van de Goodman-band stonden nu alleen nog Harry James, trombonist Vernon Brown, Gene Krupa en de leider zelf op het podium.
Speciale attractie
Al vóór Carnegie Hall had Goodman op voorzichtige wijze het taboe op publieke optredens van gemengde groepen doorbroken. Hij vormde eerst een trio met Krupa en de zwarte pianist Teddy Wilson, en breidde dat later uit tot een kwartet met de zwarte vibrafonist Lionel Hampton. Beide formaties traden niet samen met de complete band op, maar werden gepresenteerd als een speciale attractie. Ook nu vormden het trio en het kwartet een tweevoudig intermezzo, met onder andere Body And Soul, The Man I Love en I Got Rhythm.
Voor het vocale aandeel had het in 1938 logisch geleken om Ella Fitzgerald of Billie Holiday uit te nodigen, maar om de een of andere reden beperkte Goodman zich tot zijn vaste bandzangeres Martha Tilton, geen grootheid.
Toch bevatten ook haar beide nummers een diepere boodschap. Het Schotse volksliedje Loch Lomond was een jazzsucces geworden in de vertolking van de zwarte zangeres Maxine Sullivan. En Bei Mir Bist Du Schön was Goodmans enige verwijzing naar zijn eigen Joodse achtergrond. The Andrews Sisters hadden er een grote hit mee gescoord, maar trompettist Ziggy Elman gaf het nog een extra Jiddisch accent met een intermezzo in Frahlich-stijl (een volksdans bij Joodse bruiloften).
De climax kwam met een lang uitgesponnen vertolking van Sing Sing Sing, een thema van de Italiaans-Amerikaanse trompettist Louis Prima, dat werd gecombineerd met Fletcher Hendersons Christopher Columbus. Na het uitbundige drumgeroffel waarmee Gene Krupa dit nummer afsloot kwamen nog twee toegiften, waarvan de laatste het concert perfect samenvatte: Big John’s Special, een compositie en arrangement van Fletcher Hendersons broer Horace, dat de Henderson-band in 1934 al had opgenomen.
Doorbreken van de rassenscheiding
In de jaren die volgden ging Benny Goodman stap voor stap verder met het doorbreken van de rassenscheiding in de jazzpraktijk. Vanaf augustus 1938 breidde hij zijn kwartet geregeld uit tot een sextet met drie zwarte musici: Lionel Hampton, vaak Fletcher Henderson op piano, en het wonderkind Charlie Christian, een van de wegbereiders van de bebop, op gitaar. In april 1940 ging Christian ook meespelen met de volledige band, en in november van dat jaar voegde ex-Ellington-trompettist Cootie Williams zich bij de Goodman-organisatie, eerst als lid van het sextet maar later ook als regulier bandlid.
Tegelijkertijd was Goodman absoluut niet geliefd bij zijn musici. Roemrucht werd ‘the ray’, ook wel ‘the cold stare’ genoemd, waarmee hij elke fout in het orkest bestrafte. Saxofonist Zoot Sims kreeg na een tournee met Goodman een keer de vraag hoe het was geweest om in Rusland te spelen. Zijn antwoord: ‘Every gig with Benny is like playing in Russia.’
En een waarschijnlijk apocrief verhaal gaat als volgt. De ene ex-Goodman-muzikant belt de andere ’s ochtends vroeg op. ‘The good news is, Benny is dead. The bad news is, he died in his sleep.’
Dat neemt allemaal de verdienste van Goodmans daadwerkelijke actie tegen de rassenscheiding niet weg. Op de dag van zijn overlijden, 13 juni 1986, was ik in Newark, New Jersey, bij een Duke Ellington-conferentie. De grote jazzautoriteit Dan Morgenstern sprak daar een kort herinneringswoord, dat eindigde met: ‘Benny Goodman was the one who broke the ice.’
Meer Benny Goodman:


