Gekweld door hevige pijn nam Miles Davis in 1975 op één dag liefst twee live-dubbelalbums met superheavy muziek op. 'Agharta' en 'Pangaea' werden zijn laatste platen van het decennium.
TEKST: PETER SCHONG | FOTO’S: MILES DAVIS OFFICIAL
Getuige de hoeveelheid (radio- en tv-) opnamen, was er in Europa en Japan meer waardering voor Davis’ elektrische werk dan in Amerika. De Japanners onthaalden Miles Davis enthousiast toen hij in januari 1975 begon aan zijn drie weken durende tournee. De twee optredens die de band op 1 februari gaf in Osaka werden gedocumenteerd op de albums Agharta (het matineeconcert) en Pangaea (het avondconcert). Het is verbluffend dat Miles, zeker als je zijn gezondheidsproblemen in beschouwing neemt – tot overmaat van ramp kreeg hij ook nog een longontsteking en een bloedende maagzweer – het voor elkaar kreeg om twee optredens op één dag te geven met zulke extreme en schijnbaar totaal verschillende muziek. Het is al even curieus dat deze epische prestatie altijd zo onderbelicht is gebleven, maar dat zegt alles over hoe controversieel en ondergewaardeerd Davis’ rockfase is.
Woeste schoonheid
De band die het podium van de Osaka Festival Hall betrad, bestond behalve Miles Davis uit saxofonist/fluitist Sonny Fortune, gitaristen Pete Cosey en Reggie Lucas, bassist Michael Henderson, drummer Al Foster en percussionist James ‘Mtume’ Forman. Geïnspireerd door Jimi Hendrix, James Brown, Sly Stone en Karlheinz Stockhausen had de jazzrock fusion zich ontwikkeld tot extreme, agressieve, dissonante ‘voodoo funk’, een apocalyptische donderstorm. ‘We bliezen soms letterlijk de muren eruit’, vertelde Lucas in Miles Beyond. Maar Agharta en Pangaea hebben ook een zachte kant, dankzij het beeldschone fluitspel van Fortune, zoals op de samba Maiysha. De muziek was ontdaan van Europese concepten als melodie en harmonie, en geënt op circulaire Afrikaanse ritmes. ‘Een diepe Afrikaans-Amerikaanse groove, met veel nadruk op drums en ritme, niet op solo’s’, schreef Davis in zijn autobiografie.
Het collectief
De kritiek dat er geen uitzonderlijke, individuele talenten in de band zaten gaat hier mank, merkt Tingen op. ‘Dat was niet het punt van deze band, het gaat om het collectief. Het ging in wezen terug naar de vroege jazz en dixieland van de jaren twintig; collectieve improvisatie waar niemand met hoofd en schouders bovenuit stak.’ Toch valt één solist op als sterspeler: gitarist Pete Cosey. Miles zocht lang naar een gitarist als Jimi Hendrix en die vond hij in Cosey. Gewapend met een arsenaal aan gitaren, effectpedalen en versterkers, speelde hij lange, psychedelische, zwaar vervormde, buitenaardse solo’s. Zijn spel had een woeste schoonheid die zowel teder als ruig kon zijn. Cosey gaf de muziek een kleurrijk palet die de heavy funkritmes boven de agressieve energie lieten uitstijgen. Zijn afwijkende tunings waren hogere wiskunde voor de verbijsterde gitaristen in het publiek. Het is merkwaardig dat zo’n geavanceerde gitarist zo obscuur en ondergewaardeerd is gebleven.
Wah-wah pedaal om expressie te vergroten
Ondanks zijn fysieke malaise was Miles op 1 februari 1975 in topvorm op de trompet. Het wah-wah pedaal, niet ieders smaak, was geen nieuwerwetse frats of hulpmiddel om zijn zwakte te verhullen, maar om juist om zijn expressie te vergroten met een nieuwe klankkleur. Toch lijkt zijn toestand weerklank te krijgen in zijn delicate, droevige spel. ‘Er zijn momenten op Pangaea dat Miles klinkt alsof hij door zijn trompet huilt (originele citaat: ‘he is sobbing into his trumpet’)’, schrijft George Cole in zijn boek The Last Miles.
Gestructureerde improvisatie
De band lijkt ‘s middags en ‘s avonds op Agharta en Pangaea totaal verschillende muziek te spelen, maar dat klopt niet helemaal. ‘Er zit overlap in’, weet Tingen. ‘Ze hebben in de periode van grofweg ‘73 tot ‘75 een heel repertoire ontwikkeld: Tatu, Agharta Prelude, Right Off, Ife, Wili (= For Dave), Turnaround Phrase, Tune In 5, Zimbabwe.’ Davis wilde niet dat de titels op de hoes werden vermeld, want dat leidde alleen maar af van het luisteren naar de muziek, dus verzon de platenmaatschappij maar iets.
De ‘free’ muziek lijkt ter plaatse te ontstaan, maar in werkelijkheid is het gestructureerde improvisatie. ‘Het is veel minder geïmproviseerd dan mensen denken’, zegt Tingen. ‘Er zijn veel thema’s en patronen die terugkomen in elk concert. Miles wilde goede ritmes en melodieën, dan kun je niet met zeven man continu improviseren. Het was geen Ornette Coleman. Dus er is veel structuur.’
Hoe gecontroleerd en elastisch de muziek was, blijkt uit hoe Miles met een handgebaar, een knik met zijn hoofd of een ‘gecodeerde frase’ op de trompet, de band dirigeerde tot een nieuwe wending. Of de muziek abrupt afkapte tot een dramatische stilte, en weer verder laat gaan. ‘Als je dat hoort, dan weet je dat het niet geïmproviseerd is, dat kan niet. Kun je nagaan dat het een enorm hechte band was. Iedereen wist dat als je ook maar één seconde je aandacht verslapte, je eruit lag.’
Door de muur gaan
Kenners zijn het erover eens: van de twee livealbums is Agharta, het matineeconcert, superieur. Dat wil niet zeggen dat Pangaea inferieur is; de muziek is ook fantastisch, maar er is minder focus en samenhang, vermoedelijk doordat Miles minder dirigeert. Volgens Mtume werd Miles na het matineeconcert ziek. In plaats van met een climax, eindigden Miles Davis’ concerten in de jaren zeventig in totale chaos. Pangaea idem. ‘Onze concerten begonnen als een hard opgeblazen ballon’, legde Mtume uit in Miles Beyond. ‘Daarna lieten we die geleidelijk leeglopen. De energie die het ons kostte om op dat niveau te spelen was enorm. We moesten soms achteraf even gaan liggen. Vóór het concert bouwden we deze energie op. We keken elkaar aan en zeiden: ‘laten we door de muur gaan’. Dat was onze slogan. Het betekende dat we fysiek zo ver mogelijk gingen. Om dat niveau van concentratie en energie twee tot drie uur vast te houden betekende door de muur gaan.’ Tekenend voor het verschil in waardering is dat Agharta een half jaar later in Japan werd uitgebracht, en pas het jaar erop in de VS. Pangaea verscheen in 1976 in Japan, maar de Amerikaanse release liet vijftien jaar op zich wachten. Om onbekende reden hebben de Japanse en Amerikaanse uitgaven van Agharta verschillende hoesontwerpen. De geremasterde Amerikaanse heruitgave op cd van begin jaren negentig klonk hol en galmend.
Klaar met wilde experimenten
Na terugkeer uit Japan ging het bergafwaarts met Miles’ gezondheid. Davis werd een draaideurpatiënt in ziekenhuizen en moest regelmatig optredens annuleren. ‘Op een avond zei hij tegen me: ‘Je zal wel denken dat ik uit mijn nek lul, maar ik heb te veel pijn. Ik wil er niet met de rest van de band over praten, maar ik vertel het jou’’, herinnert Mtume zich in Miles Beyond.
In december 1975 onderging Miles de gevreesde heupoperatie die hij lang probeerde uit te stellen, en kreeg hij een van de eerste kunstheupen ter wereld. De operatie maakte een eind aan het meest controversiële tijdperk in Miles Davis’ carrière. En bijna aan zijn carrière zelf. Miles was uitgeblust en leefde de volgende vijf jaar als een kluizenaar in een donkere hel van drank, drugs en depressie. Toen hij in 1981 zijn comeback maakte, was hij klaar met wilde experimenten. Hij zou zichzelf nog één keer opnieuw uitvinden: als popster. Een wonderlijke metamorfose, maar het is de vraag hoeveel verder Miles Davis muzikaal nog kon gaan.
Voor dit artikel is gebruik gemaakt van ‘Miles Beyond: The Electric Explorations Of Miles Davis 1967-1991’ (Paul Tingen), ‘Milestones: The Music And Times Of Miles Davis’ (Jack Chambers), ‘The Last Miles: The Music of Miles Davis, 1980-1991’ (George Cole) en ‘Miles: The Autobiography’ (Miles Davis en Quincy Troupe). Paul Tingen werkt aan een update van ‘Miles Beyond’. De muzikanten die speelden op ‘Agharta’ en ‘Pangaea’ zijn inmiddels overleden. Het enige nog levende bandlid Al Foster ging niet in op een interviewverzoek van ‘Jazzism’.
Dit is een bewerking voor online van het artikel Miles Davis: Out With A Bang (deel 2) dat in Jazzism 6-2024 verscheen
Meer Miles Davis:
Miles Davis: een man met een plan

