Menu Sluiten

Billy Cobham: Less is more

Billy Cobham was in de jaren 70 vermaard om de rollende donder die hij vanaf zijn gigantische drumstel afvuurde op zijn toehoorders. Maar nu hij de 82 jaar bijna aantikt, zegt hij juist te streven naar eenvoud. ‘Ik speel minder noten, maar wel de juiste noten.’

Tekst: Peter Schong | Foto’s: Anton Antonov, H.J. Maquet

Met zijn gespierde, stuwende spel injecteerde Cobham begin jaren 70 een stevige dosis rockenergie in de jazz. Hij pionierde de fusion met Miles Davis op het baanbrekende Bitches Brew (1970) en Jack Johnson (1971), waarop hij op zijn drumstel een ritme slaat als een dansende bokser in de ring. Cobham vormde met gitarist John McLaughlin het toonaangevende Mahavishnu Orchestra.

Daarna begon Cobham een succesvolle solocarrière. Zijn finest hour is zijn debuutalbum Spectrum uit 1973, met daarop zijn signature song Stratus, een favoriet van Prince waarmee His Royal Badness graag zijn liveshows opende. Samples van Stratus werden dankbaar gebruikt – van Mantronix tot Massive Attack.

Veel lezers zullen verrast zijn dat u in Zwitserland woont. Hoe bent u daar terechtgekomen?

‘Uit nieuwsgierigheid. Ik kwam voor het eerst in Zwitserland tijdens een tournee met Mahavishnu Orchestra in 1971. Ik bleef er terugkeren voor optredens en clinics voor Tama Drums. In 1980 besloot ik meer te investeren in Europa als alternatief circuit voor optredens. Ik woon in de omgeving van Biel.’

Begin mei komt u naar Haarlem en Amersfoort. Wat kunnen we verwachten?

‘Ik heb een nieuw album met mijn band Time Machine: Times Of My Life. De meeste stukken zijn al jaren oud, maar ik heb ze voorzien van nieuwe arrangementen. Zoals A Little Travelin’ Music van het album B.C. (1979), en Times Of My Life en Tinseltown van het album Power Play (1986). Spectral Wheel vormt de overgang naar Spectrum, maar dan in een compleet ander arrangement. Red Moon is moeilijk te beschrijven, dat moet je horen. Bombay Chill heb ik in 2005 opgenomen met een Finse bigband, maar nu heb ik het bewerkt voor een kleine groep. Het zijn fragmenten van waar ik ben geweest, wat ik heb gedaan en waar ik naartoe wil.’

‘Spectrum’ is een fusionklassieker. Hoe kwam het album tot stand?

‘Mijn doel was om studiomuzikant te worden. Ik wilde potentiële opdrachtgevers laten horen wat ik allemaal kon, voor jingles en dat soort werk. Van latin tot klassiek, van pop tot jazz. Na tweeënhalf jaar met Mahavishnu was ik terug bij af. Ik maakte Spectrum, maar had niet precies voor ogen wat voor plaat het zou moeten worden. Ik besefte wel dat na die duizend noten per maat die ik met Mahavishnu speelde, mensen zoiets weer verwachtten. Maar wat ze niet verwachtten, was een groove. En inderdaad, niemand zag het aankomen. In die tijd was alles gericht op zoveel mogelijk noten spelen. Dat verkocht veel platen. Maar veel ervan had weinig inhoud. Ik dacht: niemand zit op nog méér van hetzelfde te wachten.’

‘De platenmaatschappij gaf er aanvankelijk geen moer om. Die was gewend aan budgetten van 700.000 dollar, zoals bij Steely Dan. Ik had een klein budget van zo’n 32.500 dollar. Ik maakte Spectrum voor 22.000 dollar en hield nog wat over voor mezelf.’

‘De grote vraag was: hoe kreeg ik dat voor elkaar? Het antwoord is simpel: niemand maakte nog een plaat op de manier die gebruikelijk was in de tijd van de 78 toerenplaten, toen bands extreem goed ingespeeld waren, doordat ze jarenlang elke dag speelden. Zoals Count Basie en Mel Tormé. Ze kenden het repertoire beter dan de Bijbel.’

‘Ik nam kleine fragmenten en schreef grooves en zette die met muzikanten als Tommy Bolin, Lee Sklar en Jan Hammer op de ene kant van de plaat, en met Ron Carter, John Tropea, Joe Farrell, Jimmy Owens en Ray Barretto op de andere kant.
We namen maandag en dinsdag op, woensdag maakten we de ruwe mixes, donderdag vloog ik naar Engeland om het van vrijdag tot zondag af te mixen. Zondagmiddag zat ik al in het vliegtuig terug naar New York. Maandag masteren.’

‘Toen ik de master afleverde bij de platenmaatschappij, vroegen ze: wat doe jij hier, heb je het vliegtuig gemist? Ik zei: ik kom de master brengen, de plaat is al klaar. Ze waren verbijsterd. Mark Mayerson, hoofd A&R bij Atlantic, haalde Ahmet Ertegün erbij en zei tegen hem: dit is Billy Cobham, de drummer van Mahavishnu, hij heeft voor ons een plaat gemaakt voor 32.000 dollar. Ik vertelde dat ik een week geleden was begonnen in de Electric Lady Studios van Jimi Hendrix, het album van het weekend in Londen had afgemixt en net terug was. “Wat!?”, reageerde hij. Daarom kosten platen nu nog maar 20 ruggen om te maken.’

Luistert u naar hedendaagse muziek?

‘Ik luister naar van alles. Als iets mijn oor pakt, vindt het zijn weg in de muziek. Niemand kan iets nieuws uitvinden; alles bestaat al. We interpreteren iets en geven het weer terug, met een kleine aanpassing. Een ander dialect van dezelfde taal.
Ik ben minder geïnteresseerd in de jazz van nu, omdat ik iets anders zoek, dus misschien is het niet helemaal eerlijk. Jonge muzikanten baseren hun spel op wat ze van oude platen hebben geleerd. Wat ontbreekt is dat ze de geschiedenis niet kennen: waarom die muzikanten speelden zoals ze speelden. Wie was Charlie Parker, waar kwam hij vandaan, waarom ging hij naar New York?’

‘Iedereen ging naar New York, dat was het mekka van de jazz. Maar er was ook Los Angeles. Muziek is een weergave van waar je woont. In Californië heb je maar twee seizoenen: regen en droog. De muziek daar klonk zachter, comfortabeler. Er was een filmindustrie waar muzikanten van negen tot vijf werkten, daarna gingen ze naar huis, aten een lekker avondmaal met hun gezin, ontspanden op de veranda en maakten de volgende dag weer een soundtrack met John Wayne. Dat hóór je.’

‘In New York heb je vier seizoenen, het kan er bitter koud zijn. Mensen waren er altijd wanhopig op zoek naar een volgende klus. Elke gig kon je laatste zijn, dus je legde je ziel en zaligheid in je spel. Je moest naar veel jamsessies gaan, zodat men je kende. Maar als je het verprutste gooide je je reputatie te grabbel, maar ook die van degene die je had aanbevolen. Dat maakte alles extreem serieus en dat hoor je allemaal terug in de muziek. Dat is cruciaal, want dat stijgt boven alle noten uit die je leert op het conservatorium.’

‘Dat bestaat nu niet meer. Nu heb je Zoom‑lessen van dure docenten die vooral hun naam verkopen. Ze vertellen hun studenten naar welke muzikanten ze moeten luisteren, omdat ze zelf niet zo goed kunnen spelen. Veel studenten willen leren spelen als iemand die ze op YouTube zien, bijvoorbeeld Bill Bruford van King Crimson. Maar zo werkt het niet. Bruford klinkt als Bruford omdat zijn levenservaring hem heeft gevormd.’

U heeft ook lesgegeven. Wat leerde u uw studenten?

‘Samenwerken als een eenheid: hoe leid je, luister je, reageer je? Het gaat niet om complexiteit, maar om eenvoud, en die leren te beheersen. Dit is het hele eieren eten: een fill moet in hetzelfde tempo zijn als wat je daarvoor en daarna speelt. Die kennis ontbreekt vaak. Veel drummers slaan een miljard drumslagen per maat, openen de hele trukendoos, nóg harder en sneller. Maar ze kunnen geen simpele vier tellen strak spelen. Dat is het probleem.’

Hoe blijft u in vorm op uw leeftijd?

‘Ik heb deze wandelstok. Een paar jaar geleden heb ik twee heupoperaties gehad, een zwakke plek in mijn familie. Ik moet voorzichtig zijn met traplopen. Ik fiets minder dan ik zou willen. Verder probeer ik gezond te eten. Drummen wordt zwaarder, maar wat ik nu speel is veel eenvoudiger dan vroeger. Minder noten, maar wel de juiste noten: met welke combinatie kan ik de muziek ondersteunen? Dat ben ik nog steeds aan het leren.’

Times Of My Life – Billy Cobham’s Time Machine (Eigen beheer) uit op 26 maart 2026

Concertdata: 

30 april 2026, Gronau (D)

1 mei 2026, PHIL, Haarlem

3 mei 2026,  Fluor, Amersfoort

25 mei 2026, Antwerpen (B)

8 juni 2026, Londen (VK)

Deel bericht

Laatste nieuws