‘One Day We’ll Have A Window’ is het vierde album van altsaxofonist Sam Newbould. Met een uitgebreide releasetour op stapel, is dit een goed moment voor een interview met de in Nederland gevestigde Brit.
Tekst: Monica Rijpma | Foto’s: David van Dartel
Vorig jaar kreeg je veel erkenning: een Edison-nominatie voor je derde album ‘Homing’, North Sea Jazz, Nederland vertegenwoordigen bij jazzahead! en veel optredens. Nu is er het nieuwe album. Hoe voelt deze vierde ‘geboorte’? Was het een zware bevalling?
Sam Newbould: ‘De muziek is al eerder ontstaan en in november vorig jaar opgenomen. Nu staan we aan het begin van een tour met meer dan tien data. Dat geeft een goed gevoel. We kunnen het materiaal nu gaan beleven. Deze keer spelen we vooral in Nederland, Duitsland en Zweden, en Engeland staat in 2027 op het programma. We hebben mooie herinneringen aan de tour daar na Homing, dus er is veel om naar uit te kijken.’
Je groeide op in Schotland, op het platteland. Nu woon je al zo’n tien jaar in Amsterdam. Wat trekt je hier aan?
‘Het was niet Schotland, maar wel dicht bij de grens. De sfeer hier in Amsterdam is zo internationaal – en niet alleen binnen de muziekscene. Het is echt multicultureel. Ik kwam in 2016 voor een studie aan het conservatorium en ik ben blijven plakken vanwege die sfeer. Het gaat niet alleen over verschillende culturele achtergronden, maar ook over verschillende generaties. Ik kijk naar iemand als Jasper Blom, met wie ik momenteel elke maand bij Jazzcafé Alto speel. Hij nodigt allerlei muzikanten uit en die optredens zijn echt intergenerationeel. In Amsterdam stopt iedereen er iets van zichzelf in en laat iets van zijn cultuur achter; dat is inspirerend. Van het kwintet zijn pianist Xavier Torres en drummer Guy Salamon niet hier geboren. Saxofonist Bernard van Rossum is ook niet in Nederland opgegroeid; zijn vader is Nederlands, maar hij groeide op in Spanje. Dus ook in onze band voegt de diversiteit echt iets toe aan ons samenspel.’
De samenwerking met Guy Salamon en tenorsaxofonist Bernard van Rossum gaat terug tot je eerste album ‘Blencathra’ (2019). Xavi Torres en Jort Terwijn op contrabas spelen mee op de laatste twee albums. Wat maakt dit ensemble bijzonder?
‘Tegen Guy en Bernard hoef ik niks meer te zeggen. We voelen elkaar woordeloos aan. Bernard en ik spelen bijvoorbeeld unisonolijnen die in elkaar vloeien en zich verder ontwikkelen. Ons geluid is hecht en dat is echt niet vanzelfsprekend. Het is niet automatisch zo dat je als een harmonieuze eenheid klinkt als je dezelfde noten speelt. Met Xavier en Jort heb ik ook in andere bezettingen gespeeld en dit kwintet is echt een ideale samenwerking.’
Hoeveel van de opgenomen stukken zijn gecomponeerd en hoeveel is improvisatie?
‘Grappig dat je dat vraagt. Bij dit album heb ik meer losgelaten. Er staan korte stukjes op die ik helemaal zelf heb ingespeeld en soms direct heb opgenomen. Daarbij speel ik dan ook synthesizer en fluit. Ik was gewend om echt alles uit te schrijven. Die unisonolijnen bijvoorbeeld en elke partij voor elk instrument. Het geluid van de tenor en de alt klinken vaak als één stem. Eerst schrijf ik alles op en daarna geef ik de bassist bijvoorbeeld de pianopartij met alleen een aanwijzing voor een ritme of een groove. Dat is genoeg. Als je Bernard een solo wilt horen spelen is de lange versie van Warp And Weft bijvoorbeeld een goed begin. Ik speel zelf echt het liefst altsaxofoon en heb nooit de drang gevoeld tenor te spelen. Mijn eerste saxofoon was bij de lokale brassband. Dat geluid hoort echt bij de mijnwerkersstad waar ik opgroeide. Nog steeds blijft een groot deel van mijn muziek uitgeschreven.’
Op jouw pagina van Bandcamp staat dat dit album meer jouw kwetsbaarheid toont. Vind je dat zelf ook?
‘Nou, ik vind kwetsbaarheid tonen niet per se negatief. Het betekent ook openheid. Het proces verandert. Ik durf nu meer te laten zien en meer toe te laten. Ik ben blij dat mensen meer in mijn muziek horen dan alleen de noten. Een beetje humor, een statement, een korreltje zout. Het is mooi dat je zegt positiviteit te horen. Sowieso is jazz echt liefdewerk, niet alleen van de musici maar ook van iedereen eromheen. Die interactie betekent veel voor me, de moeite die mensen nemen om zich in te leven in de muziek.’
Welke invloed had jouw jeugd op jouw muziek?
‘Ik groeide op dicht bij de Schotse grens. Opgroeien op het platteland en de natuur van die streek vond ik geweldig. Vooral mijn eerste album ging over mijn jeugd. Het landschap zit echt wel in de muziek, denk ik. De folkmuziek van daar is heel melodieus. Mijn vriendin (Beth Aggett, vocals) komt ook uit Engeland. Ze is zangeres en zingt op mijn tweede lp het nummer Song For Annie en nu ook doet ze mee op Window. Ik laat haar alles horen wat ik maak; ze is een belangrijk klankbord.’
De titel van je nieuwe album, ‘One Day We’ll Have A Window’, maakt me nieuwsgierig. Letterlijk verwijst het naar een kelderstudio zonder ramen, waar je veel opgenomen hebt. Maar in figuurlijke zin gaat het over communicatie.
‘Communicatie en connectie is raar genoeg moeilijker in deze moderne tijd dan vroeger. Als kunstenaar voel je dat. En toch zie ik de belangrijke dingen die gebeuren in de kleine momenten; iemand die voor een ander de deur openhoudt, iets oprapen dat iemand laat vallen. De kleine attenties, dat is misschien ook het positieve dat je hoort in mijn muziek.’
One Day We’ll Have A Window – Sam Newbould (Dox Records) uit op 16 oktober 2026


