Menu Sluiten

Sonny Rollins: de colossus op de brug

Hij loog over zijn leeftijd, stond een brug om te oefenen en worstelde zijn leven lang met twijfel. Maar Sonny Rollins werd desondanks een van de grootste tenorsaxofonisten van jazz.

Op 7 september 2020 werd hij negentig jaar. Zijn geboortedatum luidt in veel jazzgeschriften anders. De werkelijke leeftijd is het resultaat van een puberleugentje uit de jaren veertig, toen hij te jong was om een werkvergunning te krijgen. Walter Theodore Rollins werd geboren in Harlem, New York, als zoon van immigranten uit St. Thomas op de Maagdeneilanden. Om hem van zijn vader te onderscheiden, gaf zijn familie hem de bijnaam Sonny. Later volgde een tweede bijnaam: Newk, omdat hij zou lijken op honkbalster Don Newcombe. Hij veranderde ook zelf de volgorde van zijn voornamen, niet uit artistieke overwegingen, maar uit noodzaak. De narcoticapolitie zat hem als jongeman stevig op de hielen, en met die een andere naam volgorde kon hij toch aan papieren komen om in New York te werken.

Geen brave tiener

In zijn tienerjaren was Sonny allesbehalve braaf. Ook hij liep een tijdje in het spoor van Charlie Parker. Het pad dat veel jonge jazzmusici bewandelden in de overtuiging dat grootheid via heroïnegebruik bereikt kon worden. Rollins geloofde een tijdlang zelf dat stoppen verkeerd zou zijn: ‘It felt good and it put me in the place I wanted to be, mentally and physically.’

In 1950 leidde die waangedachte tot een arrestatie in New York, na een mislukte gewapende roofoverval. Zelfs die ervaring had eerst geen corrigerend effect. Na zijn vrijlating bestal hij voorbijgangers, ouders en collega’s, al kende hij enige scrupules. Mensen tegen wie hij opzag, zoals Miles Davis en Thelonious Monk, liet hij ongemoeid. ‘Ik stal wel, maar alleen van mensen die niet konden spelen. Jongens die ik als burgerlijk beschouwde.’

Eind 1954 maakte hij zelf een eind aan dit verhaal. Na opnieuw een gevangenisstraf meldde hij zich aan bij een behandelcentrum. Na zijn ontslag deed hij nog een half jaar zwaar lichamelijk werk voordat hij de stap terug naar de jazzscene waagde.

De brug

Voor jazzliefhebbers was die zelfoverwinning een geschenk. Want daardoor kon zijn grootheid, die zich al in zijn jonge jaren aankondigde, eindelijk tot volle wasdom komen. Rollins zelf was daar zeker niet van overtuigd. Hoewel hij tussen 1955 en 1959 een reeks glorieuze platen had gemaakt: Tenor Madness, Way Out West, Newk’s Time en A Night At The Village Vanguard, nam hij in 1959 uit onzekerheid een sabbatical van twee jaar.

‘Ik was niet tevreden over mijn spel, en voldeed niet aan mijn eigen verwachtingen. Ik zag in dat ik meer moest studeren, en dat deed ik op de brug van Williamsburg. Een plek waar niemand mij kon horen. Ik stond precies in het midden en kon de boten met hun hoornsignalen horen. Meestal was ik helemaal alleen. Niemand bleef staan. Ze liepen over de brug, deden wat ze moesten doen, en ik kon er blijven staan en blazen. De hele dag of de hele nacht.’

Thematische improvisatie

Rollins kende zijn hele leven twijfel en onzekerheid. Toen de gezaghebbende jazzauteur en componist Gunther Schuller ooit wat intellectuele opmerkingen maakte over zijn spel, schrok hij zich een hoedje en durfde zijn instrument nauwelijks meer aan te raken.

Wat had Schuller dan gezegd naar aanleiding van Saxophone Colossus? Dat Rollins zijn solo’s opbouwt vanuit een paar eenvoudige frases, die de basis vormen voor variaties met een toenemend niveau van complexiteit. Schuller noemde dat thematic improvisation, een begrip waarover Rollins zelf nooit eerder had nagedacht. Die woorden hingen hem een tijdlang als een molensteen om de nek. Toch vierde hij zijn rentree in 1962 toepasselijk met het indrukwekkende album The Bridge. De saxofonist was weer helemaal terug.

Elder Statesman

Dat betekende niet dat hij zijn neiging tot terugtreden voorgoed had overwonnen. Meestal veranderde dat zijn speelstijl niet ingrijpend, al lieten East Broadway Run Down (1966) en Easy Living (1977) andere accenten horen. In de decennia daarna groeide Rollins uit tot een soort elder statesman van de jazz, die door zijn vrouw Lucille vakkundig werd geloodst naar grote concertzalen en festivals wereldwijd. Spelen in kleine clubs was er niet meer bij.

Tekst: Coen de Jonge | Openingsbeeld: John Abbott

Dit is deel 1 van een bewerking voor online van het artikel Sonny Rollins dat in Jazzism 6-2020 verscheen

Lees ook: 

Sonny Rollins: ‘Ik speel alleen nog saxofoon in mijn hoofd’

Deel bericht

Laatste nieuws